'Dat wil daarom niet zeggen, Bauer, dat de ziel onsterfelijk is. En de Bauer kauwde op zijn pruim en zei:...'
'Op haar pruim, Leevaert, kauwde hij.'
' ''Waarom bestaat hij dan?"'
'Leevaert, ge zijt zat.'
'Het is toch simpel. Onze essentie is niets anders dan de inspanning die wij doen om mens te blijven, niet te sterven.'
'Gij slaat de nagel op zijn kop, vriend,' zei Marnix de Puydt. 'Niet willen sterven. Koning Albert zei het mij. De Puydt, mon ami, in uw nonchalance princiere voel ik de springveer - de ressort, zei hij - van iemand die glimlacht tegen de dood. In uw conversatie, mon cher, hoor ik het air dat ik zong in de loopgraven in Veertien-Achttien, ''Viens, poupoule, viens, poupoule, viens!" Ik zei: ''Je vous remercie, Sire," en ik meende het.'
'Dat Kant die god, die beantwoordt aan de zoon polipkon...'
'Had dus een zoon die poliepen had.'
'...herbouwt, maar ditmaal in de God van het geweten.'
'En hij heeft het geweten!'
'...In de maker van de morele orde.'
'Ah, hij was ook van de Nieuwe Orde!'
'Precies. Een onsterfelijke salto mortale. Met zijn hart herbouwt hij wat zijn kop verwierp.'
'Koning Albert,' zei Marnix de Puydt, die vaak ontvangen werd aan het Hof als prins der West-Vlaamse Letteren. 'Koning Albert,' zei hij, 'was zo bijziende maar ook zo onhandig dat hij nooit at op officiele banketten omdat hij bang was om verkeerd te lepelen of te prikken. Dat men zijn verschijning als ridderlijk en als van een natuurlijke noblesse beschreef omdat hij zo waardig zijn vorstelijk hoofd rechtop hield, kwam doordat hij geen twintig centimeter ver zag. Alleen thuis met zijn vorstin en een paar doorgewinterde lakeien, stortte hij zich na zo'n banket op zijn speciale terrine van Saksen-Coburgporselein en slurpte lepel- en servetloos en gelukkig een liter uiensoep. Zijn grootste genot evenwel gold treinen. Op de onwaarschijnlijkste momenten, als zijn koninklijke kroon er naar stond, wou hij, per koninklijke trein naar, ik zeg maar iets, Geneve. Waardoor ogenblikkelijk alle internationale treinverbindingen en regelingen veranderd, omgedraaid, aangepast moesten worden. Majesteit vertrok met zijn Zwitsers horloge, en een speciaal voor hem in grote kapitalen gekalligrafeerde treingids vlakbij de pince-nez en bleef zo zitten, lang, want onder hem in het Koningsrood fluweel was ook een lunette voorzien, en dan gebeurde het dat bij de tweeenveertigste kilometer Albert de Eerste eigenhandig aan de noodrem trok. De burggraaf chefmachinist van de trein maakte zijn opwachting. Vorst zei: ''Lummel, volgens mijn speciaal voor mij ontworpen chronograaf zijt gij een minuut en zoveel seconden te laat!" Sidderend stotterde de vicomte, dat de verhitting van de wielen, dat de viaducts, dat imponderabilia, dat het concept tijd, dat het zijn schuld niet was uiteindelijk. ''Wat? Ik, als Koning, heb, ook voor mijn mogelijke vergissingen, mijn verantwoordelijkheden opgenomen..."'
'Puydt, jongen, zo zegt een Koning dat niet. Zo spreken alleen ministers.'
'Puydt, ga verder.'
'De trein-incunabel werd geconsulteerd, ingenieurs en secretarissen maakten hijgend nieuwe tabellen op. En avant, zei Alpinist, en weer stootte de trein zijn triomfantelijk dampsignaal uit. Tot de volgende haltes. Tot de volgende seances met het perkamenten wetboek van de voorziene, verhoopte, verwanhoopte en, als het Europees verkeer ontredderde en herstelde, tijd. In Geneve nam de Koning een douche terwijl de trein rechtsomkeer maakte. Met haken en ogen en vallen en opstaan denderde de trein terug naar Brussel, twistappelige ellende van onze staat. Bekaf maar verzadigd betrad le Roi Chevalier kaarsrechter en trager dan ooit zijn Paleis waar zijn vrouw viool speelde in een democratisch pluralistisch samengesteld kwartet waarvan de drie mannelijke leden elk een platte gouden sigarettenkoker op zak hadden met haar monogram.'
'Noel, een whisky voor onze Marnix!'
'Want het positivisme herleidt de feiten tot fragmenten, tot het stof van de feiten.'
'D'r is al een hele tijd geen bombardement meer geweest.'
'Toch wel. In Etterbeek.'
'Maurice Chevalier, die toch doorgaat voor de ziel en de esprit van Frankrijk, zegt dat hij alles te danken heeft aan zijn moeder. Welnu, die moeder is op en top Vlaams!'
'En als de mens een doel is en geen middel, dan...'
'Langsam, Leevaert, ein guter Mensch geht immer langsam,' zei een glazige Marnix de Puydt en sliep, zijn waggelende Vlaamse Kop zocht en vond de schouder van Leevaert die ongemakkelijk zijn glas naar zijn mond bracht. Het gesnurk uit De Puydt's mond werd een gegrom, dat zwol en vervaarlijk grolde en zich enkele uren later over de stad Walle verspreidde, dik als rook, de bommenwerpers hadden de opdracht om het station van Walle te vernielen en daarvoor had men in Covent Garden, Engeland, een vierkant getekend waarbinnen alles plat mocht, en in het zuidwesten van dat vierkant lag het gesticht van Haarbeke, waar de toren scheurde, waar de witte draaimolen de lucht in sprong tot tegen de dakgoot, een sterfelijke salto mortale, en waar drie zusters en zeven kinderen stierven onder wie Aristoteles de Puydt, serafijn.
==
De helft van het gesticht was verdwenen, de andere helft onherkenbaar. Dit was de speelplaats, putten, krochten waar een ontzaglijke stinkende meteoriet van een moorkop aan flarden was gespat, een opengereten piano lag vol onrijpe kleine peren, dorpelingen wrikten en schraapten met houwelen tussen geblutste melkbussen als hulzen van bommen.
'Zuster Eve Marie en Zuster Marie Ange waren in de kapel aan het bidden voor een speciale intentie. Ik heb me nog kwaad gemaakt, ''Zusters, de eerste speciale intentie is in leven blijven voor Onze Lieve Heer!" Maar niet luisteren!' Zuster Econome zakte op een brok beton waarvan een kant in namaakmarmer was geschilderd. 'Het beeld van Onze Lieve Vrouw van Smarten is blijven staan. Als ik niet zo triestig was zou ik het een mirakel noemen.'
Peter sloeg een kruis, Papa meteen ook.
'De jongens die in de wijnkelder zaten zijn gered, ik heb ze geteld.'
Zuster Econome leek op Onze Lieve Vrouw van Smarten, glinsterende parels in olie gedoopt rolden van haar bloedrode oogranden.
'Onze Lieve Heer is wreed.'
'En Zuster Sint Gerolf?' vroeg Louis.
'Geen schrammetje.'
'En zuster Imelda?'
'Was bij haar broer in Avelgem.'
Baekelandt kwam langs, zwengelend met zijn houweel, en zei bars dat volgende week de metselaars zouden komen. 'Maar dit keer moeten de muren dubbel zo dik, in gewapend beton.'
'Baekelmans, ziet ge niet dat we bezig zijn!'
'Ja, Zuster Econome, maar d'r zijn er hier in Haarbeke te veel die content zijn dat 't klooster kapot is. Wij moeten ze laten zien dat we onze kop niet laten hangen! Gewapend beton, zeg ik!'
Peter trok de twee punten van zijn gilet strak naar beneden, wreef over zijn schedel, vroeg details over de begrafenis, hij wou weg en Zuster Econome die alles merkt, stapte in de richting van de spreekkamer die er niet meer was. 'Het is onrechtvaardig, Mijnheer Seynaeve.'
'Wij moeten bidden, Zuster,' zei Peter, het hoofd gebogen alsof hij al een tijdje bezig was met een passend gebed.
'Kunnen wij iets voor u doen, Zuster, om het even wat?' vroeg Papa.
'Ik zou niet weten wat.'
'Vraag maar, Zuster.'
'Als wij op zolder gekropen waren daar, onder de balken... dat dak is blijven staan... Of in de koeienstal bij Baekelmans. Maar wie gaat dat voorzien? En al mijn papier, heel mijn administratie, jaren van mijn leven, 't is al om zeep.'
'Churchill,' zei Papa. 'Churchill!'
'Louis, ventje, offer uw hart aan Jezus, 's morgens en 's avonds.'
'Ja, Zuster Econome.'
Papa en Peter gingen naar de parochiezaal waar Zuster Adam en Zuster Engel opgebaard lagen. Louis mocht niet mee, omdat hij ze toch niet meer zou herkennen. Hij trachtte de exacte plaats van de perelaar terug te vinden, stond er. Ik ben een zwijn want ik wil springen, dansen, gillen in deze verwoeste burcht, in het ontplofte slot.
==
Als een blok reuzel. Als een reuzenpop, een non voorstellend, die iemand aan het schietkraam van een kermis heeft gewonnen, met een fietspomp heeft opgeblazen en toen in de huiskamer neergezet, zo zat Zuster Sint Gerolf, vreemdsoortig, naast de kachel op anderhalve meter van BoMama. Zij had een blauwgetinte bril op waarvan de poten ongelijk in haar kap geschoven waren. Van haar mondhoeken tot in haar kraag liep een witte streep gedroogde pap. Tante Helene zei als tegen een baby dat Louis hier was, de kleinzoon van Mijnheer Seynaeve, maar zij reageerde niet.
'Zij is braaf,' zei BoMama die door Zuster Sint Gerolfs nabijheid veel van haar logheid verloren had. Alsof ze minder massief en inert wou zijn dan de non, verschoof zij, wipte zij bijna in haar rotanzetel.
'Zij is zeer gewillig en zij luistert goed naar wat we zeggen.'
'Zij doet niet anders dan luisteren,' zei Tante Helene.
' ''Het is een werk van barmhartigheid," zei hij,' gromde BoMama. 'Ik vraag: ''Wat voor een, welk werk van barmhartigheid?" Maar hij stapte het af. Naar zijn lief. Of naar een van zijn lieven. Of naar Mona. Ik heb mij al zot gepeinsd over dat werk. Eerst dacht ik dat het ''de daklozen herbergen" was maar ik geloof dat het ''de zieken verzorgen" is. Want zij is meer ziek dan dakloos, geloof ik, nee? Want zodra het Gesticht weer opgebouwd is, kan zij een dak krijgen nog schoner dan tevoren.'
'Dat is niet moeilijk, met het geld van de Staat.'
'Helene, het meeste geld komt van de Bank van Roeselare en die hangt af van het Bisdom.'
De non leek een jongere krachtige zuster van de monsterachtige Zuster, zo zeer, zo fel aanbeden in het verleden van het Gesticht.
'Ja, wij zitten met haar geschoren. Maar wij zien haar gaarne. Wij wassen haar helegans om de twee dagen.'
'Wij?' zei Tante Helene scherp.
'Bij manier van spreken. Zij krijgt ook de fijnste beetjes van Robert.'
'Lever,' zei Zuster Sint Gerolf.
'En koteletten,' zei BoMama en keek trots naar haar zuster in de nood die gesproken had. 'Maar zij weet van niks. In het klooster houden ze de zusters onnozel. Ik versta dat ze zich moeten concentreren op de religie, maar ze gaan toch te ver. Zij wist bijvoorbeeld niet eens dat onze Koning hertrouwd is verleden jaar.'
'Met een prinses,' zei Zuster Sint Gerolf.
'En hoe heet ze? Ziet ge, dat is ze alweer vergeten.'
De non zocht in de vier hoeken van de kamer.
'Prinses Liliane,' brulde BoMama.
Zuster Sint Gerolf haalde haar rozenkrans van tussen de plooien, de zwarte edelgesteenten van de blijde en droevige en glorievolle geheimen rezen en daalden.
'Hij brengt dat hier binnen. Een werk van barmhartigheid, zei hij. Zonder mij iets te vragen. Alleen maar om in het Gesticht de barmhartige Samaritaan uit te hangen.'
'Moeder, gij zijt toch content dat ge aanspraak hebt, geef toe.'
'Trek maar partij voor uw vader, lijk Mona. Maar zij is braaf. Ik probeer haar patience te leren, maar 't gaat er niet in. Of het zou moeten zijn dat ze 't zonde vindt van de tijd, dat ze in die tijd haar brevier niet kan lezen of haar paternoster bidden.'
'Maar BoMama, zij kan niet lezen.'
'Waarom niet, Louis?'
'Zij is blind.'
'O, die deugniete! Dan heeft ze de hele tijd gedaan alsof zij kon lezen!'
'Ik ben geopereerd,' zei Zuster Sint Gerolf, 'ik heb de ogen van een dode gekregen.'
'Wat? En ge zegt ons daar niets over!'
Na veel pramen en knetterende vragen en verbaasde uitroepen, zei Zuster Sint Gerolf dat toen haar vader gestorven was, zij zo geschreid had dat zij er blind van geworden was, maar na jaren devotie en versterving had de Heer Jezus haar de ogen van haar dode vader teruggegeven, zij zag niet veel, maar meer dan genoeg. 'God heeft mij geopereerd.'
Louis ging dwars door de geur van het sterfputje in de achterkeuken naar de wc. Daar haalde hij de foto van Simone te voorschijn.
('Hier, dat is voor u. Zoals ge al zingend gevraagd hebt.'
'Gij staat er schoon op.'
'Ik heb het afgesneden, bij de benen. Ik had mijn lelijke schoenen aan.'
'Gij zijt veel schoner in het echt.'
'Dat zeggen ze allemaal.'
'Ik meen het.'
'Gij moogt die foto aan niemand tonen. Mijn haar zit niet goed, het was niet gewassen.')
Hij bracht de foto aan zijn lippen. Ge moet iemand gaarne zien, met zijn gebreken.
De verweerde, bleke, vergane kop in de kap blies naar Louis als een kat, haar manier van lachen.
'Zij was niet content dat ge wegging,' zei BoMama. 'Ge gaat hier moeten blijven logeren.'
De kat bedaarde en zei een uit haar kattenkoppenhoofd geleerde les: 'Zij zeggen dat we ziekelijk zijn om uit de wereld te treden, dat wij te lelijk te stom te zot zijn om aan een vent te geraken, zij dwalen.' Zij hield toen haar hoofd schuin, haakte een vinger naast de poot van haar bril achter haar kap en schudde verwoed.
'Zij heeft last van suizingen in haar oren. Ik zeg: ''Zuster, 't komt door 't bombardement." "Nee," zegt ze, '''t is Onze Lieve Heer die naar mij schuifelt."'
'Fluit,' zei Louis, en BoMama herkende haar man's pedanterie toen hij koppig doorging. 'Schuifelen is Zuidnederlands.'
'Zij heeft te hoge bloeddruk,' zei Tante Helene. 'Zij mag geen zout eten.'
'Zij dwalen,' zei Zuster Sint Gerolf. 'Onze roeping is niet van deze wereld.'
'Hela, hela, wat is er mis aan deze wereld, Gerolf?' riep BoMama.
'Alles,' zei de non.
'Wat weet gij van de wereld, Gerolf?'
'Ik wilde nog iets van de wereld zien voor ik intrad. De gevel van het Vaticaan, Assisi, maar het was te laat, Jezus had mij al aan zijn weerhaak. Het is alles of niets. Jezus wil geen overschotjes.'
'Zij heeft nog nooit zoveel achter mekaar gesproken,' fluisterde Tante Helene, 'dat komt omdat gij hier zijt.'
Herkende de door de luchtaanval ontheiligde, verrezene, tot mens wakker gebombardeerde zuster Louis? Als de rover van het kleinood op haar nachttafel? Vlieghe lag op de tafel, bleke billen, martelaar.
'Het is bij u vrouwen dat er ongemak is. Vooral bij de moeders. Omdat zij zonder kinderen te zijn kinderen moeten zijn voor hun kinderen.'
'Gij hebt makkelijk spreken,' zei BoMama, 'alles wat gij moest doen was op uwe Jezus peinzen en voor de rest lag uw boterham gereed, en dikwijls met Ardeense hesp.'
'Het is moeilijk om u gaarne te zien,' zei de bleke stem. 'Maar ook moeilijk om u niet gaarne te zien.'
BoMama stak haar beverige kin naar voren zoals Karel Sijs in de ring tegenover Gustave Roth verleden week in het filmjournaal. 'Zeg, gij zijt hier niet meer in uw klooster!'
'In het klooster zou ik u niet meer gaarne zien dan een ander, want er mag geen bijzondere vriendschap zijn.'
'En daarmee, Louis, moet ik mijn pap koelen.' BoMama leunde vergenoegd achterover. 'Allee, bid nog een beetje voor ons, dat wij niet te lang in het vagevuur moeten zitten wachten.'
'Als,' zei Zuster Sint Gerolf en met een geroutineerd gebaar gooide zij haar rozenkrans in de lucht en ving de dalende gitzwarte regendruppels op. 'Als gij vertelt over de prinses.'
'Over welke prinses?'
'Liliane.'
'Hoeveel weesgegroetjes krijg ik dan?'
'Een rozenhoedje.'
'Dat is vijf keer tien. Hoeveel is dat?'
Louis vernam het niet, het antwoord ging verloren omdat op dat ogenblik Tante Helene zei: 'Zo zijn zij de hele dag bezig, die twee.'
De twee geblutste oorlogsgodinnen met dezelfde vette gekromde schouders hielden een wapenstilstand, want BoMama vertelde. Tante Helene vulde moeizaam een kruiswoordraadsel in, verkeerd, 'oude Belgen' moest 'Nerviers' zijn en niet die hanenpotige 'Galliers'.
Liliane, de dochter van de gouverneur van Westvlaanderen, werd aan de Engelse Koning gepresenteerd op Buckingham-van-de-drie-Musketiers-Palace, en op het hofbal te Wenen waar de Fuhrer vandaan komt heeft ze gedanst, en iets later haar been gebroken bij het skien. Zuster Sint Gerolf wist niet wat skien was, Tante Helene legde het haar uit, zij geloofde niet dat het mogelijk was. 'Uwe Jezus liep wel over het water,' zei BoMama en kabbelde verder. Voor het eerst had Liliane onze Koning in Nieuwpoort gezien en het was een bliksem, haar hart bonsde in haar keel en bleef bonzen zodat zij, drie jaar later, toen eerste minister Pierlot na de capitulatie zo crapuleus onze Koning heeft aangevallen, bijna een hartaanval kreeg van bonzende woede. Zij had zodanig haar zinnen op de Koninklijke weduwnaar gezet - want als ze iets in haar hoofd heeft, heeft ze 't niet in haar gat, Liliane - dat zij een brief geschreven heeft aan zijn moeder.
'Elisabeth, Majesteit, hebt gij geen werkje voor mij aan het hof?' en van het een komt het ander, een dejeuner in Laeken, een Teaparty - 'Wat?' Tante Helene had geen zin om het exotische woord te verklaren - een ritje met de open Mercedes naar Knokke, en voila, Kardinaal van Roey heeft het laten voorlezen van alle kansels in alle Belgische kerken, de dag na Sinterklaas, dat hij de eer en het plezier had gehad drie maanden tevoren in de Kapel van Laeken de trouw in te zegenen en dat van nu af aan Liliane prinses van Rethy zal heten. Maar als er een kindje komt, zal het nooit van zijn leven de kroon op zijn hoofd mogen zetten. En de pastoors hadden het nog maar voorgelezen of een paar uur later vielen de Japanners de Amerikanen aan, waar?' in Pier Arboer, in het ondoordringbare Oosten.
'Ja, van het een komt het ander. Allee, begin er nu maar aan, aan uwe paternoster.'
==
In het atelier gaf een bleekgeel zonnetje de Pruisisch blauw geverfde ramen volgens obscure Farbenlehre-wetten een groene glans. Louis deed iets wat absoluut niet mocht, hij draaide blanco peperdure kwarto blaadjes wit papier tussen de inktrollen van de pedaalmachine. Omdat hij het papier eerst verfrommeld en dan gladgestreken had drong de inkt in het ongelijk zuigend opnemend papier en eenmaal te voorschijn getrokken ontstonden er bladen met nerven, onheilsluchten, salamanders, dwerggestalten, vluchtende moeders. Toen de bel van de voordeur ging en hij Papa uit de verandabak hoorde sloffen, sprong Louis veerkrachtig als Mowgli, geluidloos als Winnetou, katachtig als Sabu achter jute papierbalen.
'Tiens, een mens zou geld geven om u te zien,' zei Papa. 'Ik dacht dat gij al naar Spanje gevlucht waart.'
'De tijden zijn serieus, Staf,' zei Theo van Paemels kwaaiige stem.
Zij stonden bij de degelpers. Vanuit de veranda riep een reporter dat Standaard Luik nu voor stond met twee-nul.
'Staf wij zijn gezworen kameraden. Maar vent, wat hebt gij nu weer godverdegodver uitgestoken?'
'Staf, een wespennest, zeg ik u.'
'Staf, dit is dynamiet!'
'Ik weet van niets,' zei Papa.
'Gij weet het wel! Het is uw knecht, Pieter-Raphael Raspe, Nachtegalenlaan eenenzestig, Wachteren, die de klacht heeft ingediend.'
'Ik weet van niks.'
'Uw Raspe, en ik hoop dat hij met zijn kloten aan een Russische bajonet blijft hangen, heeft een heel dossier ingediend.'
'Daar sta ik van te kijken. Ik zal er hem over spreken.'
'Maar hij is allang weer naar het Legioen bij Von Manstein aan de Donetz! Heel de erla-directie hangt eraan! Staf, hoe hebt ge dat in godsnaam kunnen doen?'
'Ik weet van de wereld niet, het is het eerste dat ik hier van hoor.'
'In die affaire met Jantje Piroen wist ge ook van niks.'
De bedwelmende geur van het papier dat uit de balen steeg, die van drukinkt en machinevet. Bijna zo lekker als de geur van het goedje waarmee Mama de lak van haar vingernagels haalde. Mama's schuld was het, van Jantje Piroen. Crime per Negligence. Jantje Piroen was er een uit de Toontjesstraat, crapuul maar serieus, zijn vader had in Spanje gevochten bij de Roden maar zelf deed hij niet aan politiek, Jantje. 'O, nooit Madame Seynaeve, wat denkt ge wel? Ik ga mijn best doen, Madame Seynaeve, ge gaat geen klachten horen over mij.' En als bankwerker in de erla deed hij zijn uiterste best, voorkomend, de deur open voor Mama, tot hij na acht weken vertrekken moest naar het erla-moederhuis in Leipzig, een van de fatale honderd per maand. Hij kwam in het bureau om zijn gekneusde duim te laten verzorgen door de Madonna van de erla en vroeg: 'Madame Seynaeve, hoe staat het ermee? Want ik zie dat ik op de lijst sta voor het transport.'
Mama keek op de lijst. 'Ja, Jantje, ge zijt erbij, wat is er van?' - 'Maar Madame Seynaeve, ge weet er toch van?' Mama onderzocht de gezwollen paarse duim. 'Wat dat ik weet, Jantje, is dat ge dat hier expres gedaan hebt.' - 'Maar, Madame, ge hebt toch met Madame Kerskens gesproken?' - 'Madame Kerskens-van-den-overkant, ja, nu dat ge 't zegt, ze vraagt soms naar u en ik zeg dan dat ge uw best doet.' - 'En dat is alles?' riep Jantje vertwijfeld. Het bleek dat Madame Kerskens die aan de overkant van hun huis woonde, de opdracht gekregen had van Meester Vrielynck (notoire vrijmetselaar, en hardvochtige zoon van Vrielynck de taalkundige Het Leeuw, die zijn vader deerlijk had laten verkommeren) om Mama, haar buurvrouw, te polsen of Jantje Piroen soms geen uitstel kon verleend worden. Want Jantje Piroen was in zijn uiterste nood naar de als Rood bekende anglofiele advocaat Vrielynck gerend, en meester Vrielynck had beweerd dat hij Mama goed kende en dat hij een beslissend woordje zou plaatsen, want dat ze zoiets vaker deed tegen betaling. En of Jantje Piroen hem tweeduizend frank wou betalen. Die zou hij, min zijn commissie van tien procent, aan Madame Seynaeve overhandigen. Mama, in haar verwarring, vertelde dit aan Lausengier. Deze, woedend als Wodan, loeide dat de erla en de Wehrmacht gecompromitteerd werden. Proces, chique types, geparfumeerde elegante ridders in uniform, marcheerden binnen. 'Heil, Heil, Heil.' Mama ook 'Heil'. Madame Kerskens-van-den-overkant ook 'Heil' maar ze schoot in een slappe lach, vloog bijna buiten. Mama hoort de hele rimram beschuldigingen en kijkt om en ziet Meester Vrielynck tekens naar haar maken, met een vertrokken gezicht, met die rode baard waar witte plukjes in zitten alsof een grijsaard woest spattend rode kool gemorst had. Zij moet getuigen en getuigt de waarheid niets dan de waarheid zo dierbaar aan Papa en kijkt om en ziet Meester Vrielynck ineengedoken zitten, zo miserabel dat de tranen in haar ogen springen, zij zegt: 'Het spijt mij, meneer, pardon, maar ik moet de waarheid zeggen.' En Lausengier vergaat ook van ellende als hij zijn Flammchen ziet snikken. Enfin, Jantje Piroen en Meester Vrielynck worden veroordeeld tot respectievelijk drie en zes maanden. De advocaat gaat in beroep. Met de hemelhoge dossiers en de medeplichtige vrijmetselaars in de administratie zal het een tijdje duren voor dat beroep voorkomt. Jantje Piroen kiest voor de gevangenis en zit bij de saboteurs, de werkonwilligen, de moordenaars. Mama spreekt elke week van hem te gaan bezoeken een dezer dagen.
'Het is niet meer als in de gouden tijd van de eerste dagen,' zei Theo van Paemel bij de degelpers. 'Staf, ge kon het niet slechter treffen met uw apentoeren. Want met de oude Von Falkenhausen was er te redeneren, ge wist wat voor vlees ge in de kuip had, wij konden maatregelen nemen binnen het kader van zijn instructies.'
Papa moest nu aan het wiel van de snijmachine draaien, doen alsof hij geen minuut te verliezen had. Louis ademde met zijn mond wijdopen.
''t Is een Chinees, Von Falkenhausen, jaren in China gezeten bij Tsang Kai Tsjek. Geen pretmaker, een serieuze Christen, altijd bezorgd voor zijn ondergeschikten, maar hij wordt uitgerangeerd. Want zij zijn er achter gekomen dat hij alle ordonnanties tegen de vrijmetselaars in zijn papiermand gesmeten heeft.'
'Ah, hij is ook van de loge.'
'Natuurlijk.'
'Zij zitten overal,' zei Papa grimmig.
'Komt daarbij dat de adel niet meer zo gaarne gezien is. Monocles en kroontjes op 't briefpapier, dat is gepasseerd. En 't is misschien maar beter, al die Herren von Hier en von Ginder met hun Franskiljonse relaties, die samen zitten te konkelfoezen. Want voor die gasten is het geen oorlog, zijn er geen landsgrenzen, dat plakt aan mekaar, het groot geld en het blauw bloed. Alhoewel de Oude rechtvaardig is. Hij ziet de zwarte markt, als het van de kleine mensen is, door de vingers, de grijze markt noemen wij dat, en hij jaagt meer op de grote traffic in het metaal.'
Op een handbreedte van Louis die kramp in zijn kuiten kreeg, snelde een rijtje rode miertjes en kruiste een even rechtlijnige colonne, er was druk verkeer rond een tiental verfrommelde toffeepapiertjes waarop geen stof lag. Heimelijke snoeper Papa, egoist.
'Raspe moet dag en nacht bezig geweest zijn met zijn dossier. Of hulp gehad hebben? Van wie, Staf?'
'Van mij niet.'
'Wat denkt ge van Groothuis?'
'Nooit. Die zal zijn handen hier niet aan vuilmaken.'
'Het gaat over corruptie, Staf, dwazekloot! Het aankoopbureau van het vierjarenplan wordt erin vermeld. Dat dossier komt in de handen van Jungclaus!'
'Jungclaus!' riep Papa, en toen, 'wie is dat?'
Van Paemels stem klonk een fractie trager, lager, geladener. 'Als ge niet weet wie Jungclaus is, man, dan is het toch beter dat ge u niet met onze zaken bemoeit.'
En zonder enig vooraf waarschuwend geluid werd een papierbaal weggerukt. Vervaarlijk alert, zijn damesrevolver in de hand, met de onwrikbare lichtloze blik van een kabeljauw stond Van Paemel wijdbeens boven Louis. Hij hief zijn voet alsof hij Louis wou vertrappelen.
'Maar wat doet gij hier?'
'Ons bespioneren voor de Intelligence Service,' zei Van Paemel grijnzend. 'Of voor de Surete Generale.'
'Ik ben in slaap gevallen.'
'Slaapt hij altijd in het atelier?'
'Nooit.'
'Ik heb niks gehoord van wat ge verteld hebt,' zei Louis. Van Paemel wendde zich af. Louis krabbelde overeind.
'Ik weet niet wat ik met die kerel moet beginnen. Hij leert niet, hij doet niet aan sport. Hij ligt hele dagen in boeken te lezen.'
'Als het de mijne was, zou ik er wel weg mee weten.'
'De principaal van het College zei het, zij hebben dat in geen jaren meegemaakt. 't Ene jaar bij de allereersten en 't jaar daarop bij de allerlaatsten.'
'Hij moet misschien eens zijn gedachten verzetten, op vakantie. Waarom stuurt ge hem niet mee met de Kinderlandverschickung?'
'Ik heb er al dikwijls
aan gedacht,' zei Papa die nooit gehoord had van het kinderlijk
verstikkende schicksal-woord.
De zondagsmis van elf uur in de Onze Lieve Vrouwekerk, waar de burgerij van Walle elkaar terugvond en de dames hun laatste creaties van hoeden en jurken en schoenen lieten bewonderen, had veel van haar charme verloren, want Marnix de Puydt die er op het orgel speelde en soms speels midden in de statige orgelklanken een zwierig walsmotiefje weefde, werd vervangen door een muziekleraar die zich strikt aan Bach hield, ook mooi, zo'n Koraalvoorspel of 'n preludium, maar men miste het imprevu.
De nacht van de ramp in het Gesticht van Haarbeke had Amadeus voor het eerst sinds jaren in zijn bed gepist, de dagen daarop wou hij niet meer eten of drinken en toen was hij ontsnapt, men had hem pas een week later teruggevonden, kilometers van het ouderlijke huis. Hij lag voorover met zijn mond in een ondiep plasje kleiwater, een tros veldmuizen kroop uit zijn buik.
Tante Nora die zich verheugd had op de terugkeer van Nonkel Leon was in al haar staten. Haar man had beslist een of ander lief in Duitsland opgedaan, want toen hij thuiskwam had hij met moeite zijn vrouw en zijn door haar schildklier ontregelde dochter bekeken, hij had wat met het konijn Valentine gespeeld en was toen vertrokken naar zijn damclub.
Tante Nora bracht een stuk, de grootte van een sigarettenpakje, van de taart die zij speciaal voor hem had gebakken. De taart was keihard maar Papa vond haar voedzaam.
'Het is ook omdat ge u niet verzorgt, Nora, enfin, niet verzorgt zoals een man dat gaarne heeft,' zei Tante Mona en die ganse namiddag, onder de leiding van Cecile die lessen in schminken kreeg op de balletschool, werd Tante Nora door Mama en Tante Mona onder handen genomen. Haar wenkbrauwen werden geepileerd, cremes werden aangebracht, haar haren werden gefluft, gebraiseerd, gebeitst, gebiologeerd, geblitzt, haar ellebogen werden geponst, er werd gerimmeld, geoorbeld, haar borst werd geperst, getild, tot de Verdrietige klaar was en met een onwezenlijke hoop in de plots amandelvormige ogen naar haar Leon werd gestuurd. 'Wij zullen er gauw het fijne van weten, en is het nu niet gelukt, ja, dan mag ze beginnen peinzen op scheiden.'
'Maar waar vindt ze nog iemand met zo'n schoon inkomen en dubbele rantsoenzegels?'
==
Zuster Sint Gerolf die in een eerste golf van gulzigheid alles opschrokte wat men haar voorzette en haar bord aflikte en toen aan het vasten was geslagen, vroeg nooit meer om verhalen aan BoMama. Haar zetel werd in de hoek bij de veranda gezet, volgens BoMama omdat ze dan een uitzicht had op de tuin en men makkelijker bij de grote linnenkast kon, volgens Helene omdat haar moeder de aanblik van de weigerachtige vastende niet langer kon verdragen. Met haar rug naar de keuken zat de non hardop te bidden. Met het uitzicht op haar rug zat BoMama hardop te vertellen.
==
'O, aanbiddelijk hart, hoe lijdt gij thans, gij lijdt het gruwzaamste lijden dat kan bestaan, een lijden evenredig aan de miljoenen en miljoenen zonden van gans het menselijk geslacht.'
==
'...en hij smijt zijn vest uit in een hoek, nadat hij er natuurlijk eerst het geld heeft uitgehaald want meneer heeft geen portemonnee lijk andere mensen, meneer vindt dat minderwaardig kleinburgerlijk, en hij zegt dat zijn vest naar de schoonkuis moet, want Helene kuist niet goed genoeg volgens hem, alleen Mona, die engel van zijn ogen, kan goed kuisen maar daarmee gaat hij zijn dierbare Mona niet lastig vallen, haar poezelhandjes zouden vuil kunnen worden, goed, ik raap die vest op uit de hoek, want dat zo laten traineren, het is geen gezicht, stelt dat er iemand komt, ge kunt nooit weten, en ik riek iets, ik zeg in mijn eigen: ''het is geen parfum, het is geen poudre-de-riz, het is geen eau-de-toilette, het is geen lotion voor na het scheren", raad eens, het was de geur van een roos, geen pioenroos, geen baccarat, nee, van die kleine knopjes, is dat geen egelantier? en ik riek nog beter en 't komt toch wel van het knoopsgat zeker, wat wil betekenen dat hij tot aan onze voordeur rondgelopen heeft met een roos in zijn knoopsgat die hij gekregen heeft van een of andere Roos van Jericho en dat hij haar dan rap in de goot gesmeten heeft...'
==
'...o, nooit volprezen liefde, o beminnenswaardige, gij bemindet uwen hemelschen vader met ene oneindige liefde en die liefde overstroomde Uw Hart met een eindeloos geluk maar verscheurde het tegelijkertijd bij het aanschouwen der talloze zonden tegen de onuitsprekelijke goedheid van Uwen Vader bedreven...'
==
'...hij komt binnen op de receptie want hij moest een voordracht houden over de gewoontes in de Kongo, wat weet hij daarvan? hooguit of zijn aandelen van de Kasai in de hoogte gaan of niet, en daar heeft hij ook zijn neus aan verbrand niettegenstaande de adviezen van zijn neef de missionaris, goed, hij komt binnen en de hoofdonderwijzer zegt: ''Mijnheer Seynaeve, wij hebben het geluk vanavond een goeie kennis van u te begroeten." - ''Van mij?" doet hij. En wie stond er daar op 't onverwachts? Zijn lief. Ja, die van Koekelare die in de caoutchouc-fabriek werkt als, wat is het? secretaresse? wij kennen dat, secretaire de direction, meer moet ik niet zeggen, en weet ge wat hij deed, de lafaard, hij deed alsof hij haar niet zag, niet herkende, niet kende, hij zei: ''Pardon, ge zijt mis, ik ken die persoon niet," lijk Petrus in de hof van daar in Palestinie omdat hij gezien had dat de Kanunnik er was, van de Bank van Roeselare, en voor geen goud wilde hij geweten hebben dat er mogelijks overspel op het spel stond, en zij, zij verschoot er danig van, zij werd rood lijk d'ondergaande zon, want wat een afgang en public, want dat arm meisje zal voorzeker geproclameerd hebben: ''de geachte spreker over Kongo van vanavond ken ik, ik ga meer zeggen, het is mijn lief en onze verhouding is achterbaks want zijn vrouw leeft nog," en zij heeft haar sacoche gepakt en zij wilde, zo hebben ze 't mij verteld, met die sacoche op zijn kletskop slaan en het is nog Madame Kerskens die haar tegengehouden heeft, die sukkelaar is dan weggelopen, die sloore, ik heb er echt compassie mee, al is het zijn lief...'
==
'...Toen juichte uw Hart bij het vooruitzicht van zo veel andere zielen welke voor eeuwig door Uw lijden gered zouden worden. En de redding eener enkele ziel zou genoegzaam vergoeding aan Uw liefde hebben geboden, want Uw hart is vervoerd van teerheid voor de mensen...'
==
De gevechtshandelingen op het Tunesisch oorlogsfront staan in het teken van een systematische stellingverbetering. Jaja, Maria.
In de oostelijke Kaukasus hebben onze troepen zich binnen het bestek van de beweeglijke oorlogvoering systematisch van de vijand losgemaakt.
Zwijg maar, wij weten al meer dan genoeg!
Ondanks heftige afweer konden de verdedigers van Stalingrad niet verhinderen dat de vijand uit het Westen binnendrong, hetgeen dwong tot een achteruitschuiven der eigen stellingen met enige kilometers. Dat riekt aangebrand, Fernand!
==
'Zoet Hert, maak dat ik u meer en meer beminne.'
==
Volgens Nonkel Robert was de kilo varkensgehakt die hij aan Papa meegegeven had voor BoMama (op gevaar van zijn leven, want naarmate het aangebrand begint te rieken in het verkruimelend Sicilie en in het dooiende Rusland worden de Duitsers en de controleurs lastiger, en ge moet, om op uw gemak te kunnen werken als slachter, veel pakskes afgeven aan de een en de ander) van de eerste kwaliteit. Want de geburen, de moeilijk te bevredigen officieren van de 'Flandria' en vooral hijzelf en zijn echtgenote Monique hadden er van gegeten en niets gevoeld.
Volgens Tante Nora werd er veel gehakt gemengd met een minderwaardig vet. 'Ik zeg niet dat gij dat doet, Robert, ik zeg alleen maar dat er gekapt op de markt is dat gemelangeerd is.' Zij zei ook dat wat Mama en Mona op haar gezicht gesmeerd hadden ook geen Creme de Payot was geweest, want zij had er bubbels van gekregen. Waarop dat gemeen spook van een Cecile zegt: 'Ik dacht dat het de bedoeling was dat Nonkel Leon er een bubbel van zou krijgen.' Pats, zij kreeg een klap, geen echte, want die twee zijn koek en ei, overigens 't schijnt dat de Amerikanen in Noord-Afrika leven van eierpoeder. 'Waar gaan wij naar toe? Straks gaat de mens nog alleen maar poederkens en pillekes eten, nee, geef mij maar varkensgekapt,' zei BoMama.
Volgens Papa had hij dat gehakt niet allemaal ineens willen uitdelen aan de hele familie en had hij gedacht dat ze, slokops zijnde, content waren geweest als hij drie dagen later nog eens een half kilootje zou brengen, het halve kilootje dat hij voor hun eigen goed weggeborgen had in zijn atelier. 'Ge moet op de dag van morgen peinzen, mensen!'
'Waarom in uw atelier? En niet in onze kelder?' vroeg Mama.
'Omdat er ratten in de kelder zijn. En omdat die daar (zijn ongeschoren roze dubbele kin in Louis' richting) er zou aangezeten hebben!'
'En waar is die halve kilo dan gebleven?'
'Ik heb hem moeten wegsmijten. D'r zat al een wormpje in.'
'Een wormpje, wat geeft dat nu, Staf?'
'Een haas laat ge toch ook een dag of drie hangen.'
'Negers begraven zelfs olifantenvlees.'
'Een roquefort met een wormpje, er is niets beters.'
'Het is proteine, waar we allemaal te weinig van hebben.'
'In Stalingrad zouden ze rond zo'n gekapt de tango dansen!'
'Ik heb er van geproefd,' zei Papa, 'en d'r was lijk een smaakje aan.'
'Gij hebt ongelijk gehad Staf,' zei Peter. 'Wij moeten onze houding tegenover voedsel herzien. Wat vroeger ongeschikt geacht werd voor consumptie zou best eens kunnen blijken het voedzaamste te zijn.'
BoMama stak haar tong naar hem uit achter zijn rug.
'Denk maar aan Firmin de Bulgaar zaliger die zijn neus optrok als wij elk een dozijntje slakken aten met peterselieboter.'
'Zaliger?' vroeg Mama. 'Hoe weet ge dat?'
'Ach, Constance, niemand heeft hem toch meer gezien.'
In de lege hoek waar Zuster Sint Gerolf de laatste tijd met haar gezicht naar de muur had gezeten en gebeden tot het zoetheilig Hart, stond nu een kapstok.
Tante Helene was als eerste opgestaan die ochtend. Zij zette de radio aan voor het programma 'Goed Geslapen?', meestal mandolinemuziek, en las in Het Rijk der Vrouw hoe je thuis zeep kon maken en zij praatte meer in zichzelf dan tot de onbeweeglijke gestalte toen zij zei: 'En nu gaan we dat soepje van gisteren opwarmen,' en merkte toen op de tegels dat Zuster Sint Gerolf diarree had gekregen en toen dat ze blauw was en in haar schoot gehakt had uitgespuwd.
'Maar hoe heeft ze dat gekapt kunnen pakken, ik had het op de bovenste plank gelegd achter dat beeldje van Pater Damiaan!'
'Als een mens honger heeft is hij tot alles in staat.'
'Een mens is in staat om zijn eigen kind te laten verhongeren en zelf caramellen weg te steken in zijn atelier,' zei Louis.
'Gij gaat tegen mijn hand vliegen,' zei Papa loom.
'Wat zo jammer is, dubbeljammer, is dat zij twee dagen geleden zei dat haar vasten voorbij was, want dat het de bedoeling van ons Heer niet was dat wij ons eigen zouden verwaarlozen.'
Tante Mona, Tante Nora, Nonkel Robert en Louis liepen achter de kist. Vrouwen bleven ramen lappen, fietsers floten, spoorwegarbeiders maakten ruzie, de stad Walle keek niet om. Geen hertog riep als bij de begrafenis van Louis Quatorze: 'Kwaakt, kikkers, nu de zon gezonken is!' Papa wilde een passend doodsprentje drukken maar hij had geen gegevens, zij had geen identiteitskaart bij zich.
'Zo de put in, zonder kind of kraai,' zei BoMama en scharrelde in haar reticule met de zilveren sluiting die twee omstrengelde slangen voorstelde. Zij duwde Louis een briefje van twintig frank in de hand. 'Ga naar de bakkerin en koop voor dat geld nonnescheetjes. Het is 't enige dat wij voor haar memorie kunnen doen.'
Iedereen at zwijgend het broze, lichte schuimgebak dat smolt op de tong. Louis likte de laatste korreltjes uit het papieren zakje, de melkwitte as vloog in zijn neusgaten. 'Toch proeft ge dat ze gemaakt zijn van het wit van eieren van kiekens die gevoed worden met afval van vis,' zei Papa. ''t Is nu gelijk,' zei BoMama.
==
'Ge moogt het mij zeggen, Constance, ik zal niet kwaad zijn, ik beloof u dat ik kalm ga blijven, ik ga niet uitschieten, maar om de liefde Gods, spreek het uit. Waar was het, de eerste keer, ge moet mij geen details geven maar waar was het? - Ik versta dat ge 't niet wilt vertellen, dat het delicaat is, maar wanneer was het, zeg mij dat tenminste?'
Papa brulde: 'Wat deed hij?'
De veren van hun bed piepten, Mama draaide zich om.
'Alstublieft, Constance, wij zijn toch kameraden.'
'Van in de tijd van de IJzerbedevaart,' zei Mama schor.
==
De rat in zijn labyrint, de slinkse sluiper Theo van Paemel, had woord gehouden. De Erweiterte Kinderlandverschikkung stuurde de afvallige Seynaeve junior naar het merenrijke Strelenau, Mecklenburg. Daar wachtten hem sport en volksdans, knutselen en lekenspel, natuurleven en troepdienst. Papa moest een briefje tekenen dat Louis geen rare ziekten had. Louis ergerde zich aan de efficiente haast waarmee zijn moeder een week tevoren al zijn koffer pakte.
'Ik vertrek naar het verre Oosten.'
'Duitsland is het verre Oosten niet,' zei Simone, 'dat is waar de Chinezen wonen.'
'Toch wel, kijk op de kaart, 't ligt ver ten oosten van ons land.'
'Ge moet mij mijn foto teruggeven.'
'Gegeven is gegeven.'
'Als ge 't zo wilt. Ik moet naar binnen. Ik moet siroop maken.'
'Tegen de hoest?'
'Nee, om te versterken. Een recept van mijn vader.'
'Gaat ge op mij peinzen?'
'Wanneer?'
'Vanavond.'
'Ja.'
'Echt waar?'
'Voor dat ik slaap peins ik altijd op wat ik die dag heb meegemaakt.'
'Ik ga u een hele tijd niet meer zien.'
'Vier weken, dat is gauw gepasseerd. Uw haar is te lang.'
'Ik ga het laten snijden.'
'Bij coiffeur Felix.'
'Nee, mijn Mama gaat het doen,' zei Louis en schaamde zich. Simone had een bijna doorschijnende bloeze aan, je zag de bustehouder. Hij gaf haar een kus op de wang.
'Goed. Het is al goed,' zei zij, haar melancholie leek hem passend, alhoewel ze om de meeste dingen treurig was. Hij nam haar hand en kietelde haar handpalm omdat Haegedoorn gezegd had dat vrouwen dit onweerstaanbaar vonden. Zij merkte het niet. De bel van de apotheek rinkelde als de bel waarmee gegoede families in Mecklenburgse villa's hun butler riepen die dan bleek Lord Lister in vermomming te zijn, hij die onweerstaanbaar was voor vrouwen, vanwege zijn blik van staal.
==
Zesde dag. Hoe stil is het hier. 's Nachts hoor ik soms kletterende paardenhoeven. De bietenvelden zijn onoverzienbaar. Er is veelvuldig mist. Het dialect dat zij hier spreken lijkt soms op Vlaams. Zij zeggen 'vertellen', niet 'erzahlen'. De meeste mannen lopen gebogen. Alsof zij iets in de grond zoeken. De man bij wie ik ingekwartierd ben heet Gustav Vierbucher. Maar hij kan niet goed lezen. Hij is te klein om in het leger te dienen. Hij steekt vaak een ijzeren spil in de grond en kijkt dan naar de punt. Zoekt hij olie? Zijn vrouw heet Emma zoals de vrouw van Goring van wie zij de dikke gestalte heeft. Zij stoot mij vaak aan en zegt dat ik mij moet spoeden. Maar zij zegt niet waarvoor. Het regent zeer veel. Als ik mij goed gedraag, zegt Emma, mag ik het beeldje van een danseres, voortkomend uit de ss-Porzellanmanufaktur van Munchen meenemen als cadeau voor mijn moeder. Zij hebben hier vreemde kachels die betegeld zijn en vastgemetseld in een hoek staan. Zij slapen hier onder een peluwzak (?) die veel te warm is. Er zijn ook veel insecten van zonderlinge vormen en kleuren die dwars door de kamers zoemen. Maurice had hier de tijd van zijn leven gehad om ze te bestuderen. Ik heb dikwijls geschreid 's nachts maar ik leer mij bedwingen.
Zevende dag. Ik word elke nacht wakker van Gustav die vijf zes keer moeizaam in een tinnen schaal pist. Hij zucht en kermt daarbij. Gisteren zei Emma dat ik ondankbaar was. Omdat ik de roze soep niet lustte die, volgens het pakje, van aardbeien gemaakt was.
Achtste dag. Ik moet van Gustav en Emma naar het gemeentehuis, waar de jongsten van de hj spreekkoren leren zeggen, figuurzagen en houten vliegtuigjes bouwen. Ik heb vanavond: 'O krinklende winklende waterding, met 't zwarte kabotseken aan', enz. gereciteerd. Ik moest het nog eens doen en zei: 'O, stinkende, winkelende paterding, schart er uw rokske maar aan.' Niemand heeft het verschil gemerkt. Later een soort Zonnewendefeest met kampvuur. Wat niet verboden is. Omdat hier geen Geallieerde vliegtuigen overvliegen.
Twaalfde dag. Ik help Emma bij het huishouden en Gustav met het voeren, maar ook als er niets te doen is en Emma breit en Gustav slaapt bij de kachel kan zij niet verdragen dat ik in Simplicissimus (tien afleveringen) zit te lezen. Zij zegt dat ik geluk heb dat ik geen Duitse jongen ben, dat men mij anders zou aanpakken.
Vijftiende dag. Emma zegt dat ik vuil ben als een jood. Dat ik net als de joden niet genoeg van ondergoed verander. Ik meen te zien dat Gustav per dag ineenkrimpt, dat hij straks niet over de tafel zal kunnen kijken.
Zestiende dag. Ik heb de hj 'Ouwe Taaie, jippiejippiejee' geleerd. Zij denken dat het een Vlaams volkslied is.
Achttiende dag. Ik heb in dit platte land een bos ontdekt. Ik ga er morgen heen.
Negentiende dag. Wat een Geschichte. Ik schrijf het op omdat ik er later om zal lachen. Ik liep naar het bos in de verte. Gedurende uren. Het leek een fata morgana. Ik probeerde er in een rechte lijn naartoe te lopen, ik klom door doornhagen en waadde door kreken. Urenlang. Toen werd ik moe en viel in slaap in een maisveld. Na een uur ongeveer hervatte ik de tocht, maar op een bepaald ogenblik kon ik niet verder omdat ik mij in een moerassig gebied bevond. Ik bleef op zo'n eilandje zitten. Muggen, libellen en horzels vielen mij aan. Ook een school (?) waterratten zwom naderbij. Ik keerde terug op mijn stappen maar toen ik langs de plek in het maisveld kwam waar ik gerust had, sprongen drie boeren op mij af. Ik kon hun gebrul niet verstaan, hun taal leek niet op Duits. Wel verstond ik het woord: parachutist. Op mijn leeftijd! Een van hen had een zeis bij zich, als Pietje de Dood. Ik werd naar een boerderij gebracht. De jongste boer die mank is, bleek een soort veldwachter te zijn, Ernst geheten. Hij bracht mij thuis (thuis, sic) en verbood mij nog uit de kom van het dorp te komen.
Tweeentwintigste dag. Het zijn zeer lange dagen. Ik vond de avondster, het zevendruppeltje en de twee Beren. De melkweg ook natuurlijk. Gustav de dwerg kijkt altijd op mijn vingers als ik karikaturen van Churchill, Roosevelt en Stalin teken en inkleur. Hij begrijpt niet dat ik dat kan.
Drieentwintigste dag. Wat nu weer! Ik hoorde op de radio: 'Der Wind hat mich (mir?) ein Lied erzahlt' en ik zei aan Emma dat Zarah Leander een houten been had. Zij schrok zodanig dat zij schreeuwend de straat op liep en mensen uit het dorp in huis haalde. Daar waren twee mankepoten bij, een met een long, schijnt het, en de secretaris, die zeker honderdvijftig kilo woog. Zij begonnen allemaal door elkaar te gillen en te schelden en wilden mij lynchen. De secretaris die dienst doet als Lagermannschaftsfuhrer pakte mij bij de kraag van mijn hemd, het scheurde. Hij stelde mij vragen. Onder andere, wat voor een vader ik had die mij zo had opgevoed. Ik antwoordde dat mijn vader in mijn land bij de Gestapo was. Dit maakte grote indruk. Als Papa het zou weten zou hij kraaien van trots. Zij bleven nog wat vervelend doen maar dropen toen af. En wat is het mooiste? Emma is nog nooit zo vriendelijk geweest. Zij bakte zelfs oliebollen maar die waren te deegachtig en Gustav at ze allemaal op.
Zesentwintigste dag. Gustav en Emma zeggen dat zij het erg vinden dat ik wegga, dat zij al aan mij gewend waren. 'Wie ein Sohn,' zeiden ze. Ik antwoordde dat ik nooit een goede zoon kon zijn, ook niet voor mijn ouders. Emma begon te schreien. Daarom heb ik haar Mutti genoemd. Gustav zei: Und ich? Daarom heb ik maar 'Vati' tegen hem gezegd. Morgen krijg ik de porseleinen danseres mee en zal Gustav mij achter op de fiets naar het station brengen. Goodbye Strelenau.
==
Slaapdronken stond Louis voor het raam, dat niet open mocht, ook niet om naar je gelukkige ouders te wuiven in de verte, want je kon tot op het laatste ogenblik een sintel van de trein in je ogen krijgen. En toen, zwaaiend met het hakenkruisvlaggetje zoals bevolen werd, reed hij op de treeplank in de stoom van de trein Antwerpen binnen, overweldigd door het geroep en gekrijs in het Antwerps Vlaams huiselijk vertrouwds, en zag Mama staan zoals beloofd. Wat is zij klein, zal ik in mijn notaboek schrijven vanavond, zij komt niet eens tot de schouder van de Vlaamse Wachter naast haar, en zij heeft haar haar donkerrood geverfd.
Mama probeerde hem op te tillen, kuste hem woest op de wangen, in de nek, perste hem tegen haar borst. Hij liet zijn vlaggetje vallen maar niemand merkte het op. Alhoewel dit volgens de natuur niet mogelijk was, leek Mama op de zuster van Papa, Nora, zij had geen schmink op, en had roze vlekken op haar wangen alsof zij er met de kapotte bontjas over geraspt had. Er was iets met haar aan de hand, want zij huppelde, neuriede, hinnikte, haakte haar arm in die van de jonge Vlaamse Wachter, die slungelachtig glimlachend Louis' koffer aanpakte.
In de trein naar Walle, uren, door het zwart landschap, in de dikke walmen van de volgepropte coupe, tussen het gekwaak en gevloek van de kaartspelers, dat alleen verzwakte toen inspecteurs langs kwamen.
'Oskar is zo vriendelijk geweest om mee te komen, om er op te letten dat er mij niks overkomt, dat ik mijn kaartjes niet verloor of dat ik niet op een verkeerde trein stond te wachten. Hij heeft goed op mij gepast.'
De slungel murmelde bedeesd dat het zijn plicht was.
De trein stopte midden in koolzaadvelden. Het enige licht kwam van de aangestreken lucifers en van de glimwormen in de holle gezichten van de kaartspelers. In de verte stralen van zoeklichten. Een oude man die tegen Louis aangedrukt zat, boerde de hele tijd, er kwam geen einde aan, de boerziekte. Scheldende mannen die met lantaarns zwaaiden onderzochten het sissende, dampende onderstel van hun coupe. Kettinghonden in verre boerderijen. Het plotse heftige geruis in onzichtbare boomkruinen. Dit was Belgie en onmetelijk ver weg, bijna onbestaand, lag Mecklenburg, een vlakke, ongerepte planeet met hier en daar een verminkte, dwalend door bietenvelden. Belgie was vlakbij, propvol blatend stinkend angstig volk. Louis tekende Churchill in de bewasemde ruit, drie halve cirkels voor de kinnen, een klein cirkeltje voor de mopsneus, de hanglip met sigaar, een bol hoog voorhoofd met zes haren opzij, en dan het vlinderdasje eronder.
Mama vroeg voor de derde keer hoe het eten was geweest, het slapen. Of hij al zijn was mee had gebracht, zijn twee paar schoenen, zijn pyjama. Hoe de mensen waren. Ongelukkig door de verliezen?
'Zij hebben een keer achter mij gezeten, met een zeis.'
'Maar jongen toch.' Maar vroeg niet verder waarom, wanneer, hoe.
Mannen en vrouwen werden uit de trein gehaald, zij moesten hun koffers en balen aan de kant zetten. Een van de smokkelaars morde, een rijkswachter ging op hem toe, pakte zijn neus beet, kneep er in, bleef knijpen. Louis zag de tranen uit de man zijn ogen springen.
De trein stommelde verder, de oude man naast Louis vertelde hees en haastig een reeks moppen.
'Het is dat ik u heb, Louis...' zei Mama tegen de ruit.
'Als ik u niet had, o jongen, dan wist ik het wel...'
'Ik had chocola gereedgelegd, melk met nootjes, uit Zwitserland om het u te geven in de statie, tien minuten lag ze op tafel en hij was ermee weg.'
'Meerke heeft al haar tanden laten uittrekken. Nonkel Omer is zot geworden, hij zit bij de Broeders in Sint-Vincent.'
'Het is alsof ge jaren weggeweest zijt.'
Het waren voorpostgevechten. Er is iets met haar gebeurd, met die paffende ongeschminkte vrouw tegenover mij. Zij past in deze chaotische trein die steeds verder wegrijdt van het mistig rijk, plat als een pannenkoek, waar spreekkoren weergalmden, waar regelmaat en orde heersten onder de mankepoten, waar ik de enige wanordelijkheid was. Wij moeten nu op de hoogte van Waregem zijn waar een van Peters lieven woont, een onderwijzeres die eens afgerammeld werd door Tante Mona. Waarom schiet mij dit te binnen? Omdat het, net als bij Mama tegenover mij, met overspel te maken heeft, iets wat je over moet spelen omdat het spel de eerste keer mislukt is.
'Het is hem gelukt, uw vader. Hij heeft mij klein gekregen.'
'Sst!' deed Louis als naar een kleintje.
'Ons klein gekregen. Hij mag in zijn handen wrijven, fier op zijn borst kloppen, proficiat!'
'Stil, sst!'
'Het geeft niet. Oskar mag alles horen.' Oskar deed alsof hij sliep, alsof hij het niet wou horen, het geraaskal dat zij toen, gejaagd als de oude man met zijn landerige moppen daarnet, losliet voor dat zij zo meteen in het vervloekte stadje van haar verdriet zouden aankomen, in de nachtlucht van haar verlies.
'Hij heeft het gearrangeerd met zijn maat Theo, die overal met zijn vuile vingers in de pap zit. Want wat hebben zij Henny kunnen verwijten? Driemaal niks en toch heeft hij zich moeten verantwoorden, een mens van zijn kaliber, aangesteld door Von Falkenhausen zelf en door de strengste militaire dokters afgekeurd voor chronische Magenschleimhautentzundung. Wat? Zou hij ooit geld ontvangen hebben om rijkeluisjongens weg te houden van het transport, zo'n morele mens? Dat hij zogezegd tegen het regiem zou gesproken hebben? Wat heeft hij precies gezegd in het restaurant van het hotel 'De Zwaan'? Hij ontkent het niet, integendeel, terwijl ik hem nog zo schoon gesmeekt heb te ontkennen, ''Liebchen, zweer het af, zeg dat gij het nooit van zijn leven hebt uitgesproken."
''Flammchen," zei hij, ''als ik tegenover mijn eigen volk de waarheid niet mag zeggen! Het is geen Sondergericht!"'
'Wat heeft hij bekend, Mama?' vroeg Louis.
'Dat hij gezegd heeft: ''De totale overwinning roept haar ongeluk op." En dat is niet eens van hem, maar van een grote Duitse geleerde, ge moet hem kennen, gij, die altijd met uw neus in boeken zit.'
'Bon, en verder?'
'Dat hij te veel opzien gebaard heeft door te veel in het openbaar Sekt te hebben gedronken. (Sekt, Sekt. Mama, vroeger als kind: Jetzt. Jetzt, tijdens Veertien-Achttien aan de piano.) Maar die mens mocht geen Sekt drinken vanwege zijn maag en zelfs al had hij Sekt gedronken met emmers, hij mag toch van zijn eigen geld dat hij geerfd heeft van zijn familie.'
'Is hij weg uit Walle?'
Zij wreef haar gezicht af, de trein vertraagde.
'Kriegsverwendungsfahig,' zei zij mat.
'Waar naartoe?'
'Een Flakbatterie. Maar ik zeg u niet waar. Hij zou mij schrijven. Maar ik zeg u niet waar die brief zal toekomen. Gij zijt in staat om het aan uw vader te vertellen.'
'Ik, Mama?'
==
Papa kwam de trap af, met de ogen knipperend, een trui van het Belgisch leger over zijn pyjama. 'Wel, wel, wel.'
'Hebben wij u wakker gemaakt, Papa?'
'Nee, natuurlijk niet. Ik heb op u gewacht natuurlijk. Ik lag een beetje te lezen in mijn brochure van Judas van Cyriel Verschaeve want er is sprake van dat ik een van de Sanhedrieten zal spelen, en ik moet natuurlijk een keer heel de brochure doornemen. Maar het is zware kost!'
Mama geeuwde. 'Niet te vroeg morgen, Louis.'
'Moet hij niet naar school?' vroeg Papa met een flinterdun stemmetje. Mama trok haar jas uit en viel op de sofa, waar dekens lagen en een hoofdkussen besmeerd met lipstick. Zij schopte haar schoenen uit en trok een deken over haar hoofd. 'Doe het licht uit,' riep zij verstikt. Papa zei: 'Kom.' In de keuken zei hij: 'Hebt ge 't goed gesteld? We gaan dat op ons gemak bespreken morgenochtend. Maar niet te vroeg.'
==
Mijnheer Tierenteyn was met vooraanstaande anglofielen aangehouden als gijzelaar omdat een of ander dwaashoofd in het donker een Gefreiter in zijn rug gestoken had met een beenhouwersmes. En dat noemt zich Witte Brigade-man.
Het zou ons niet verwonderd hebben als Eric, de zoon van een verzekeringsagent en vrijer van Tante Helene, rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken was in zulke affaires. Hij luisterde elke dag naar Radio Londen, hij vertelde dat de kolenproductie in het Ruhrgebied aldaar daalde, waardoor de wapenindustrie ook zakte natuurlijk. Dat de Duitse rijksschuld bij de tweehonderdvijftig miljard was, dus dat hun schulden binnen enkele maanden zo hoog zullen zijn als heel hun vermogen. Hij kan tellen, die jongen, maar hij durfde de hand van Helene niet te vragen aan patriarch-Peter. Hij was bang van Peter omdat deze hem uitgescholden had toen hij eens binnenkwam en met de voordeur nog open, dus zichtbaar door heel Walle, het V-teken gemaakt had met twee vingers. 'Het was om te lachen, Mijnheer Seynaeve!' - 'Wat? Wat is er daar mee te lachen, stom kieken,' zei Peter en vergat zijn schoon-Vlaams van woede.
Eric beweerde ook dat volgens hem Nonkel Florent van zich had laten horen via Radio Londen. 'Luistert goed naar wat ik opgevangen heb. Pompompompom. De Bloem groet met een teken in de grot van Han. Wat kan het anders zijn dan: een teken, dat is een sein, een groet in 't Latijn, dat is ave, dus Seynaeve. En de Bloem dat is ook Latijn: Flor, de grot van Han, Han, dat is ent, Florent.'
'Maar mensen toch!' kreet BoMama. 'Mijn hart!'
'Hij kan kruiswoordraadsels oplossen in drie minuten,' zei Tante Helene.
'Cryptogrammen ook.'
'Maar wat wil Florent ons zeggen?' zei BoMama. 'Dat hij het langs de radio zegt. Dat moet fortuinen kosten.'
'Dat hij in leven is, moeder. Is dat niet genoeg?'
'Het is genoeg,' zei zij. 'Alhoewel al dat Latijn, dat is niets voor onze Florent.'
'Misschien dat een officier in de bbc dat voor hem gedaan heeft, moeder.'
BoMama huilde zachtjes. 'Zelfs al is het onze Florent niet, ik ben toch content.'
==
'Ik die letterlijk alles voor haar over heb,' zei Papa. 'En wat krijg ik terug? Het deksel op mijn neus. En dat doet zeer, geloof me, jongen. Ik zit mijn eigen op te vreten om iets te bedenken dat ze weer normaal wordt, gezond, zoals een vrouw moet zijn in haar huishouden, en in een keer vind ik het. Ge weet of ge weet niet dat wij Judas niet gaan spelen in de Stadsschouwburg omdat monsieur le directeur Lagasse Alfred, vindt dat onze mensen geen verzen kunnen zeggen en dat het boven het verstand van de gemiddelde Wallenaar gaat, Judas, terwijl dat we allemaal weten dat Monsieur in zijn geparfumeerde smokingbroek schijt van benauwdheid omdat de wind zogezegd aan 't keren is voor de Germanen en dat hij geen Zwarte priester en hoogstaande Vlaming in zijn schouwburg meer wil eren. Goed, ik zeg tegen de groep: ''Waarom spelen wij Op hoop van zegen niet? Dat heeft altijd succes, en ik heb juist de brochure gelezen, het is magnifiek, het is wel Hollands, maar wij hebben toch ook Vlaamse schippers, en ik wil niet meer dan de rol van een visser," en dan dacht ik ineens: Waarom zou Mama niet meespelen in de rol van een van die vissersvrouwen, zij kan en triestig en charmant zijn, ik spreek ervan in de groep en iedereen is akkoord, behalve wie? Uw moeder. Ik zeg: '''t Gaat u deugd doen, als ge speelt wordt ge iemand anders en vergeet ge uw eigen."
''Loop naar de maan," zegt ze. Maar wat er dan gebeurd is! Er is iemand van de Kommandantur gekomen en die mens zegt: ''Het is dat we u kennen, Mijnheer Seynaeve, of anders vloogt ge de bak in." Want wat is er uitgekomen? Dat die Heijermans een jood is! Wie gaat dat nu peinzen? Met een serieuze Vlaamse naam lijk Heijermans, lijk Heymans die de Nobelprijs gekregen heeft in Stockholm.'
'Waarvoor?' vroeg Louis.
'Iets in de chimiek, of was het de stofwisseling? En 't komt ook uit dat die jood, lijk alle joden, eigenlijk Samuel heette, ja zeker, Samuel Falkland. Alstublieft! En 't schoonste komt nog. Ik vertel mijn miserie aan uw moeder en zij valt omver van 't lachen. Lijk een zottin heeft ze daar een kwartier staan schudden van het lachen omdat ik bijna in de boeien geslagen was.
Voor mij, ik heb er lang over gedubd, is uw moeder in de overgang. Het is vroeg, ik geef het toe, maar anders kan ik het niet expliqueren.'
==
De Kei vroeg: 'Hoe was het daar?' en bedoelde: daar in het land van de vijand. Hij zag er steeds minder als een leraar uit, in zijn vlottende toog uitgemergeld als Pater de Foucauld, verteerd in een woestijn, en ontroostbaar.
'Hebben zij het moeilijk, de gewone mensen? Waar logeerden de Vlaamse jongens? Ik dacht dat ze in kampen zaten, dat alleen de kleintjes tot tien jaar bij pleegouders terechtkwamen? Hoe waren de mensen daar in dat dorp?'
'Zoals bij ons,' zei Louis.
'Dat kunt ge niet nader bepalen?'
'Neen.'
'Zijn zij bijvoorbeeld onderworpen? Meer dan de Belgen. Ja? Goed. Zijn ze irrationeler, onverdraagzamer, megalomaner? Ja? Goed. De boer waar ge bij hebt gewoond, bewonderde hij Hitler?'
'Hij aanbad hem.'
'Precies.'
'Er zullen altijd leiders zijn, Eerwaarde.'
'Ja. Altijd die mimetische begeerte. De liefdesomhelzing van leiders. Men wil bewonderen, opgezweept worden door sprookjes, door die ene zaligmakende mythe. Ja? Omdat in die hypnose de werkelijkheid wegslipt, de angst verdooft. Ja. Ga nu maar.'
Die middag had de Kei het in de klas over de Romeinen die zich door hun plichtsgevoel genoodzaakt voelden de staat omver te werpen. Hoe wanhopig en hoe koppig ze waren. Hoe zij, om in staat te zijn de tiran te doden, verplicht waren hem te kleineren, minder dan menselijk te maken. Ik ben de enige die weet dat hij het over Hitler heeft. Althans in deze klas. De bij elkaar hokkende jongelui van de Retorica zouden dit meteen in de gaten hebben. Zij zijn de Kei's lijfwacht, bij hen doorbreekt hij zijn eenzelvigheid, hij kan zijn gemompel over de oude Geest van Europa, over het Prometheus-verlangen beter bij hen kwijt. Als je van een betere familie komt, of aristocraat bent zoals de Kei, heb je 't gemakkelijker om in een God te geloven die het onaardse belichaamt, boven, onder, buiten de economische sociale mensheid zweeft en wil is en energie en wat nog meer? O, ja, schoonheid. Er is iets aan de gang in het College, nu, na mijn NoordDuitse vakantie is dit duidelijk en de kern ervan is de Kei die aangeslagen is en driest tegelijk.
De Kei zei, zonder zijn breekbare, vermoeide zwier te verliezen: 'Doe vooral de groeten aan uw lieve moeder.'
==
Lieve moeder wierp een blik van verstandhouding naar...
==
Mama keek op een eigenaardige manier naar...
==
Louis' moeder ving de betekenisvolle blik op van apotheker Paelinck die etiketten en folders wilde laten drukken voor zijn bloedkwekende, levenskracht versterkende Sint Maartens-siroop van eigen formule. Kanunnik de Londerzeele had het probleem van de naamgeving doorgenomen. Sint Maarten mocht op het etiket afgebeeld worden op het ogenblik dat hij als jonge militair zijn jas in tweeen hakte en hem aan een arme rillende grijsaard reikte. Zag Papa niet, terwijl hij over rasters en cliches bezig was, dat de apotheker Mama een blik als een kus toewierp, en dat zij vragend keek, meer, bedelend?
'Hoe was het in Duitsland, Louis? Groot zeker, he?'
'Ja Mijnheer Paelinck. En raar...'
'Dat dacht ik ook. Voor ons is dat raar, dat zij als een man achter hun leiders staan. Het is een groot land, daardoor denken zij ook groot. Wij, Belgen of Vlamingen een klein volkje zijnde, kunnen niet anders dan in kleine termen denken omdat we niet meetellen en elk moment met borstel en blik kunnen weggevaagd worden. Vandaar dat we de wereldproblemen met meer dan een korreltje zout nemen. Maar dat zout vreet natuurlijk aan onze visie.'
Mama fronste haar weer borstelig aangegroeide wenkbrauwen. 'Staf, zoudt ge aan mijnheer Paelinck dat beeldje van de danseres willen laten zien dat Louis meegebracht heeft?'
'Ik dacht dat ge 't niet schoon vondt, dat ge 't niet in de living wilde...'
'Ik zou mijnheer Paelinck zijn gedacht daarover willen horen.'
'Wel, kom maar mee naar het atelier, Mijnheer Paelinck.'
'Nee, Staf, haal het hier. Die mens is juist bezig aan zijn koffie.'
Toen Papa de deur uit was, legde Mama haar wijsvinger op haar lippen, aaide Louis over zijn haar en ging vlak bij de apotheker staan die haar een bruin flesje met roze pastilles gaf. 'Motus, Louis, motus,' zei de pillendraaier die daarna de porseleinen danseres te Jugendstilachtig vond. 'Dat kan niet meer de dag van vandaag, maar 't is in zijn genre toch de moeite waard. Ook in de kunst kunnen we niet blijven staan bij wat gisteren modern was. Alhoewel wij van het verleden moeten blijven leren. Als we maar onze eigenheid blijven bewaren. En dat is het wat ik tegen de Deutsch-Vlaamse arbeidsgemeenschap heb, dat ze onze eigen Vlaamse ziel wil fnuiken door het pan-Germaanse heidendom.'
==
Het was Zuster Imelda die in Louis' kamer zat, want alhoewel haar gezicht vervangen was door een puimsteenachtig gezwel zonder enig relief herkende hij haar boerse borst, haar geur van mest. Zij spreidde haar knieen en van tussen de zwarte golven trok ze aandachtig een gevild konijn, of was het een kat, helaas kon hij de schedel niet goed zien, zij streelde het bloedbespatte naakte kreng waar plukjes pels aan zaten, de pupillen waren niet spleetvormig maar rond als roze pilletjes.
De sirene, het afweergeschut en Papa's geroep maakten hem wakker. Papa riep hem altijd, de wakkere wacht van de nacht, alhoewel hij wist dat Louis hem en Mama toch niet zou volgen naar de schuilkelder vol bevende en biddende buren.
Door het zolderraampje ving hij nog net een glimp op van Mama's gebloemde peignoir. Had zij dan vlak voor zij naar de schuilkelder vluchtte even op mij gewacht? Een kwart seconde? Had ze omgekeken naar hun gevel?
De stad schoot in vlammen en roetwolken, het gebonk, gedaver was allesoverrompelend. Louis schreeuwde zo hard hij kon de Pom pom pom pom van de Engelse radio. Stralen, meteoren die ontploften, lava gutste over Walle, de toren van Sint Rochus kantelde, viel. Vanuit zijn uitkijktoren op de zolder van de schamele ouderlijke woning ziet de tiran-in-de-dop een stuk van Europa vergaan, er is geen overweldigender gejuich in zijn hele lichaam mogelijk. Rache.
Toen het luwde, in zijn bast en in de lucht, terwijl het vreterig geluid van vlammen overheerste samen met hemelhoog gekerm, liep hij op de toppen van zijn tenen, alhoewel dat nergens voor nodig was, naar het nachttafeltje aan Mama's kant van het bed. In de gloed van de stadsbrand scharrelde hij in haar krokodillentas en vond er een agenda waarin elke dag van de laatste twee weken was aangemerkt, een kam met een kluwen rood haar, een poederdoos van parelmoer, tubes, een bijna leeg flesje van de eau de toilette Vendome, een potlood voor de ogen, lippenstift, lucifers, zes gebroken sigaretten, een zakdoekje dat ritselde toen hij het uiteentrok, haarspelden, veiligheidsspelden, een rekening van het hotel 'Het Gouden Lam' in Waregem, twee personen met ontbijt, een ansichtkaart zonder tekst uit Munchen, een ansichtkaart van Stettin die een Griekse held voorstelt die met zijn elleboog op zijn knie staat te dubben tegenover een vrouw met het onderlichaam van een draak, in ronde, bijna typografisch geordende letters stond Mama's naam op de adreskant, zonder straat of stad of postzegel, daarnaast bijna onleesbaar - door tranen uiteengelopen - woorden als 'zunachst beschlossen', 'stumperhaft' en de handtekening Dein Henny, verder nog een slordig geschetst grondplan van een huisje. Het flesje met de roze pillen was er niet, zijn nagels schraapten langs gruis.
==
'Het zijn pillen om te kalmeren,' zei Mama. 'Ik voel me niet goed, als ik ze niet neem kan ik de muren wel opkruipen. Ik hoop dat u dit nooit overkomt later, dat ge zo stapelzot rondloopt omdat er iemand niet is. Maar zoals ik u ken zal u zoiets nooit gebeuren. Gij, gij zijt een paling die overal tussen glijdt, en gij hebt gelijk. Ik wilde alleen maar dat ik zo geboren was, maar het bloed van de Bossuyts kan niet liegen, onze Omer is er ook door kapot gemaakt.
Hoelang duurt het om een diploma van verpleegster te halen? Een paar jaar? Of kijken zij niet zo nauw? Volgens Mona is de kliniekopleiding een maand of vier en moet ge tekenen voor de duur van de oorlog. Maar daarmee hebt ge natuurlijk geen diploma. Maar het ergste is dat ge niet moogt roken. Toch wel, ik ga mij aanmelden bij het Rode Kruis, maar ik ga mijn voorwaarden stellen, zie dat ze mij in de een of andere achterlijke kraamkliniek steken. Nee, ik wil naar Rusland, 't moet daar schoon zijn nu dat het zomert. Ja, als ge 't wilt weten, het is om hem weer te vinden. Hij ligt langs de Don, maar ik zeg u niet waar. Want hij zit in de voorste linies, hij is zo, ge kunt hem moeilijk voorstellen op zijn gat achter een bureau in Noorwegen. Nee, Louis, ik zeg niet waar hij zit. Ge moet mij niet helpen. Ik ben groot genoeg om een gedetailleerde landkaart te kopen en mijn weg te vragen aan de voorbijgangers. Gaat ge een beetje op uw moeder peinzen als ze daar rondloopt in de koude, van de ene ijskoude trein in de andere?'
'Het zomert daar.'
'Maar zo kort. De zomer is daar zo kort.'
Maar weggaan deed ze niet, want zij was te lui, te bang, te laks om haar ideaal te volgen door weer en wind. En omdat ze niet wegging en ongelukkig was gaf zij haar enige zoon de schuld. 'Wat gaat er in Godsnaam van u worden. Ge hebt geen vooruitzichten, ge doet uw huiswerk niet, ge interesseert u niet aan oorlogsverrichtingen in Rusland, ge hebt geen vrienden die hier aan huis komen, ik hoor u nooit over meisjes spreken zoals de jongens van uwe ouderdom...'
'Onze Louis, dat is een laatbloeier,' zei Tante Nora. 'En wee o wee als een laatbloeier uitbloeit, dan is er geen houden aan.'
'Kijk naar Victor Hugo,' zei Eric, Helenes officiele verloofde, 'hij was maagd toen hij trouwde aan vijfentwintig jaar en van dan af aan tot zijn tachtigste kon hij geen vrouw met rust laten.'
'Onze Louis? Die gaat zich niet laten doen door 't vrouwvolk, he, vent?' zei Tante Mona die wonder boven wonder van haar vroegere Ulli gehoord heeft, hij ligt in een hospitaal van Cairo en hij denkt maar aan een ding en dat is: aan haar. Er bestaat dus toch nog echte Treue.
'Louis gaat nooit een vrouwenjager worden,' zei Tante Helene.
'Ik weet het nog niet,' zei Mama.
'Victor Hugo at elke morgen twee sinaasappelen met schil en al. En als hij dood was hebben ze in een geheime lade van zijn bureau een carnet gevonden met de namen van alle dienstmeisjes die hij gepakt had, met de som van het drinkgeld erbij.'
'Maar Eric toch.'
'Voor mij is Louis meer het genre van Thijs Glorieus.'
'Van de familie Glorieus in het Papestraatje, van de korsetten?'
'Nee, Mona, uit die boek van Walschap die ik u geleend heb.'
'Ja, merci. Ge zeidt dat het gepeperd was. Ik ben andere kost gewoon. Een paar passages misschien, maar echt vet was het toch niet. Niet dat het niet goed geschreven was, het was naar 't leven, maar het was meer over de gevoelens van de mens in 't algemeen.'
(Als je iemand al zes keer lang gekust hebt en haar bustehouder twee keer hebt afgedaan, kan je haar dan als je lief beschouwen? De laatste keer tilde ik Simones jurk op maar zij sloeg op mijn hand. Nu was het wel volle maan.)
'Gij interesseert u aan niks. Ge kunt toch uw leven niet doorbrengen met boekjes lezen. Wat wilt ge eigenlijk? Uw rapporten zijn beneden alles en gij zijt nochtans niet dwaas. Ge moet een vast punt hebben in uw leven waar ge naartoe werkt, waar dat ge u aan vastklampt, dat moet ge zoeken en vinden. Anders is het allemaal niks, dag in dag uit, grauw en flauw. Is er nu echt niets waar dat ge u mee bezig kunt houden? Ge kunt zo schoon tekenen, waarom ontwikkelt gij dat niet?'
'Lijk Nonkel Leon, Mama? Is dat mijn voorbeeld?'
'Leon heeft magnifieke aquarellen gemaakt, zij gaan blijven bestaan en bij de mensen in huis hangen lang nadat hijzelf dood is. Dat is kunst.'
'En als alle huizen verbrand zijn, plat liggen?'
'Allemaal?'
'Ja. Waar blijft ge dan met heel Nonkel Leon zijn kunst?'
'Dat gaat nooit gebeuren. Dat kan niet. Mensen zijn zo achterlijk niet. Bommen smijten ja, maar met mate.'
==
Een huis dat nog overeind stond was dat van Dolf Zeebroeck, het modernste huis van Walle, door de meester zelf ontworpen, een kopie van het Gentse Gravensteen met zijn tinnen en kantelen in eigele geglazuurde baksteen maar met hedendaags comfort natuurlijk, zoals een badkamer en twee wc's, dat heb je nodig met zes kinderen, maar het huis is wel moeilijk te verwarmen.
Een van de zes, een blond loens ventje, versperde de ingang toen de neogotische deur openging. Het keek wantrouwig naar Louis' boekentas die propvol zat met kleurpotloden en papieren in verschillende maten en tinten uit Papa's atelier, 'Wordt gij verwacht? Ja? Hoe laat dan? Voor hoelang? Niet langer dan een halfuur. Want Vava moet mee, naar de buiten, patatten halen.'
Langs een wenteltrap, breed genoeg om zwaardvechtende geharnaste ridders door te laten, hingen honderden zwart-witte prentjes in de tot ver over de grenzen beroemde wolkige, sliertige stijl. Dolf Zeebroeck, de schepper van dit alles, was, gehuld in een bruine monnikspij, aan het werk achter een immense tekentafel. Zijn wit stekelhaar, rode wipneus met wijde porien, pokdalige huid waren die van een Vlaamse Kop, daar kon geen twijfel over bestaan. Hij droeg een wijde koperen armband met Arabische motieven om zijn pols, wat ongemakkelijk moest zijn bij het tekenen. De kamer was uitzonderlijk netjes en rook naar een ziekenhuis. Een antieke gekruisigde keek neer op Louis met medelijden, bijna zoals Dolf Zeebroeck zelf die Louis monsterde alsof hij Louis' lamentabele trekken voor altijd in zich wou opnemen, zijn povere verhoudingen wou schetsen, tekenen met een blik.
De nog natte tekening waar hij aan bezig was stelde een Noorman voor die met heftig geheven aks een andere Noorman te lijf ging, de wapenrokken vlotten, de wolken raasden.
'Ziet ge die cactus? Wel, zet u daar en tekent hem. Ge moogt hem interpreteren zoals ge zelf wilt. Als 't maar geen Picasso is natuurlijk, haha.' Louis lachte mee. 'Nee, nee,' bracht hij uit.
De cactus had drie bulten, er hing grijze wol rond de stekels, het potje was van rood aardewerk. Wat meer? Ik moet opletten, alles wat geen cactus is verbannen uit mijn geest, de totale aandacht opbrengen waarmee de meesters zich instellen tegenover de wereld. Louis trachtte naar de cactus te kijken zoals Dolf Zeebroeck naar hem daarnet, opslorpend, de blik wordt een brein. Hij verloor de cactus geen moment uit het oog terwijl hij zijn tekengerief uitstalde.
Toen hij de omtrek van plant en pot had neergezet, zei de meester: 'De omtrek van uw cactus is te groot in verhouding met het blad, dat is geen schone bladverdeling, ziet ge dat niet?' Haastig gomde Louis de schets weg. De meester ging verder met het invullen van de zwartglimmende Noormannenjurken. Louis bracht schaduwen aan met zijn Conte-8.
'Tekenen heb ik gezegd, niet wrijven. De lijn, jongeman, de lijn.'
De gom. Het begon toen op een cactus te lijken, zelfs op die tegenover hem stond, vooral toen Louis zijn ogen wat dichtkneep zoals men in een museum vaak ziet doen. De pot kreeg lang niet de kleur van de pot voor hem, want hij had geen potlood van dat soort rood.
'Nee, nee,' zei Dolf Zeebroeck met een penseeltje dwars in zijn mond. 'In de eerste lessen wordt niet gekleurd.' Hij griste het papier weg, verfrommelde het en gooide het trefzeker in de rieten mand onder de gekruisigde.
Na een kwartier stond er een nieuwe, zwart-witte cactus. De stekeltjes met hun schuine schaduw, de wollige plukjes, de lichtval op de tafel, die de vorm had van een Zeppelin, de aureooltjes rond de stekels. Louis leunde achterover.
'En hij zag dat het goed was,' zei Zeebroeck.
'Het is iets te zwart, maar ik kan het altijd wegvagen.'
'Wat wilt ge wegvagen?'
'Waar het te donker is.'
Zeebroeck stak een pijp op. 'Het trekt op niks,' zei hij niet onvriendelijk. 'Ge hebt zitten frutselen aan de details, hier, die blaasjes, die puntjes. Maar de lijn, man, de lijn.'
'Moet ik de details dan niet tekenen?'
'Alleen in dienst van de lijn!' (Natuurlijk! De stugge, langgerekte, zwarte lijn van zijn eigen tekeningen, houtsneden, glas-in-loodramen!)
'Ik had het ook in uw stijl kunnen tekenen, Mijnheer Zeebroeck.'
'Jongen, ik heb veertig jaar lang elke dag, ook op zondag, gezwoegd als een beest met de lijn, en gij zoudt...'
Louis nam een nieuw blad, maar het loense jongetje kwam binnen. 'Vava, het wordt al donker. En ge had beloofd...'
'Een minuutje, Godfried!'
'Geen minuutje! Nu! Beloofd is beloofd!' Het kind sloeg met zijn vlakke hand op zijn eigen wang. Alsof hij daarmee een tomeloze driftbui inhield.
'Goed...' zuchtte Zeebroeck. 'Dan is het vijfenveertig frank.' Louis betaalde, Mama had op dertig frank gerekend. En voor een volledig uur.
Godfried keek naar de cactus met Louis' ogen, de smoezelige vorm met sprietels bleef liggen, verzwond niet in rook.
'Het is weer Picasso, Vava.'
De meester kneep in zijn rode wipneus. 'Hij moet nog leren.' Hij merkte Louis' ontreddering, wreef met de buik van zijn pijp over de papieren cactus.
'Dat krijgt ge, als ge fragmentair werkt, dan kijkt ge u blind op vliegenstrontjes. Het essentiele ontsnapt u.'
'Welk essentiele?' riep Louis. 'Als alle fragmenten juist zijn, komt het essentiele dan niet vanzelf naar boven?'
'Manneke toch,' zei de pokdalige monnik.
'Het is weer Picasso, he, Vava?'
'Manneke, wat had het eerste moeten zijn dat u had moeten opvallen, dat ge direct had moeten schetsen? Kom, denk na, kijk naar de plant, naar de stekels, hoe staan die stekels in die cactus, in elke cactus overigens, geplant?' Er daagde iets, maar het bleef steken. De demonische meester zoog op zijn pijp.
'Hij weet het niet, Vava.'
'Ziet ge dan niet dat de stekels op een regelmatige manier verdeeld zijn, dat de afstand tussen dit stekeltje hier en dat stekeltje daar dezelfde is, dat er een patroon is?'
'Een patroon,' zei Godfried. Zeebroeck trok de pij over zijn hoofd. Er onder had hij een werkmansoverall aan die hij losknoopte.
O, mijn onkundige onmachtige achterlijke bijziende domheid! Het was waar, het zoekplaatje leverde aan iedereen zijn belachelijk doorzichtig geheim behalve aan een hersenverweekt brein als het mijne! De perfect harmonisch verdeelde speling van de ruiten!! God maakt regelmaat! En ik had alleen maar wollige draadjes zitten kopieren.
'Gij zijt bedankt, Mijnheer Zeebroeck.' Ziedend liep Louis de wenteltrap af, liet de voordeur openstaan. Hij zag geen samenhang, het was waar. Om de een of andere reden vond hij dit bewijs van zijn onvermogen om de onderbouw, nee, het gebouw zelf van de dingen te zien, ongemeen ontluisterend. Hij vloekte de hele weg naar huis. Anderen konden in de veelvuldige, versplinterde dingen, feiten, incidenten om hem heen, het samenhangend redelijk inzicht vinden, meteen, hij niet, al deed hij nog zo zijn best, maar hij deed zijn best niet want hij wist niet hoe. De meest voor de hand liggende oppervlakte, dat was zijn domein, hoe vernederend! De cactus was nooit een cactus geworden, maar een raar smerig onbestaand gezwel, een van de cactussen uit Noord-Afrika waar Vuile Sef en zijn vriend Odiel (overigens Odile, had hij ook pas later begrepen) mee schwarmden, een fantasietje van een zelfgebouwd luchtkasteel, een zandkasteel van luchtspiegelingen. En voor vijfenveertig frank! Minder dan een halfuur! Bij de puinen van de Sint Rochuskerk merkte hij ook dat hij zijn boekentas met de kleurpotloden vergeten had. Maar nooit, nooit, zou hij daar terug gaan in het moderne Gravenkasteel waar de waarheid hem was toegediend als een muilpeer.
Toen hij thuis kwam ging Vandam, op wiens schouders het eens florerend drukkersbedrijf Seynaeve nu rustte, de deur uit. In de gang rook het nog naar de terpentijn waarmee Vandam zijn handen had schoongemaakt. Er was niemand thuis. Vandam spijbelde.
Omdat hij zijn vader gisteren nog met een verdachte bult in zijn wang had gezien ging Louis op zoek naar toffees in het atelier. In Papa's kantoortje vond hij tussen de rekeningen en de bankafschriften kruimels van een verse cake. Hij zocht achter de zakken snijpapier, de kartonnen dozen met olievodden, probeerde zich de gedragingen van zijn vader voor te stellen voor hij, na het middageten, in zijn kantoortje een dutje deed, dan liep Papa van de snijmachine naar de bestofte resten van een rotatiepers naar zijn kantoortje, wanneer en waar graaide hij naar zijn steeds aangevulde voorraad mierzoete met nootjes en stukjes noga gevulde toffees? In een wankel kastje dat rond de afwasbak getimmerd zat lag een zorgvuldig gestapeld hoopje boeken van Zane Grey en John Knittel, die hoorden hier niet, helemaal niet, triomfantelijk scharrelde Louis twee aangebroken rollen zandkoeken, een halve plak fondantchocolade, een vuistgrote zak toffees te voorschijn en in zijn binnenste kakelde het, Erwin Rommel, de vos van de woestijn, bracht Louis het veldmaarschalkssaluut. Louis brak een vingerkootje chocolade af, stal vier toffees en een zandkoek en wou met zijn buit vluchten uit Tobroek in Noordoost-Cyrenaika toen hij opgerolde tijdschriften zag liggen achter het keurig boekenstapeltje. Cine-Revue, Le Rire van maart 1924, Lustige Blatter, en een beduimeld dun bandje Les aventures d'une Cocodette, Papa's voorraad onkuise boeken. De Cocodette was halfnaakt met een oranje zomerhoed op, grijze kousen aan en uiterst hoge hakken. Zij terroriseerde op elke pagina, ook al zat ze te schommelen zonder broek aan, een dikke, kale stumper in een driedelig gestreept pak. Op een plaatje reed zij paard op de man die totaal in de war scheen, de sigaar spoot uit zijn mond. Verder liep zij hautain met haar mollige billen bloot, meestal belaagd door de grijpgrage handen in manchetten van een kale advocaat of industrieel. De droomvrouw keek op een bepaald ogenblik Louis recht in het gezicht, zij hief uitdagend speels haar lijntjes van wenkbrauwen, zij moedigde hem aan, fluisterde dat hij moest doorgaan met het onzinnige, jeukende, om bevrijding schreeuwende zoetzachte schuren tegen de jutezak vol pijpenkrullend papier, en toen stootte zij een rauw rokerslachje uit, op het moment dat hij spatte en zakte tegen de ruige, welige zak.
==
Papa hield het horloge, een wonder, naar het peertje boven het aanrecht waar Louis de pannen schrobde. 'Ge kunt er de datum op lezen, ge kunt er de tijd mee stop zetten als ge een loopwedstrijd wilt chronometreren, ge kunt er ook mee zwemmen, alhoewel ik dat maar zou laten voorlopig, voor 't zekerste. Wel, wat zegt ge?'
'Dank u, Papa.'
'Is 't al?'
'Dank u uit de grond van mijn hart, Papa.'
'Dat is al beter.'
Het was het horloge dat de gevangen mijnheer Tierenteyn voor Papa meegegeven had aan zijn oude moeder die over de vijfentachtig was en niet een kwaaltje had, doordat ze elke morgen een lepel biergist at. Door voorspraak van Papa zou mijnheer Tierenteyn, in geval van sabotage, slechts als allerlaatste in de rij van gijzelaars aan de fatale paal vastgebonden worden. Papa zat er mee, met die voorspraak. Totdantoe had hij, in de buurt en bij coiffeur Felix de legende van zijn Gestapo-lidmaatschap allesbehalve ontkend, integendeel, als men erover begon knikte hij wat verwezen, en zei: 'Jaja, wij zouden zoveel kunnen zeggen, maar wij mogen niet,' daarbij meer dan ooit het gevaarlijk genootschap oproepend en de zwijgplicht die hij, op straffe van vreselijke lichamelijke boete, in acht nam.
'Eigenlijk zou ik u dat horloge maar mogen geven als gij achttien jaar geworden zijt. Want ge verdient het niet. Nog niet. Uw rapport. Uw manieren van doen. Uw slordigheid. Want dat ge zomaar uw boekentas kwijt zijt! Ge lijkt uw moeder wel, met haar sleutels. Maar ik koop geen nieuwe. Ge kunt uw boeken en cahiers in een kartonnen doos dragen. In mijn tijd hadden we ook geen leren boekentas.'
'Het is het horloge van iemand die terechtgesteld zal worden,' zei Louis tot Simone. 'Ik mag u niet verklappen wie. Maar zijn laatste woorden in de gevangenis waren: ''Geef dat horloge dat mijn laatste seconden aantikt aan Louis, mijn bridgepartner van de 'Rotonde'."
'Mijn grootvader heeft er ook zo een.'
'Is dat niet ontroerend dat die oude man tot op het laatst aan mij denkt? Het is als Socrates die voordat hij van de gifbeker dronk zei dat hij nog een haan schuldig was aan, aan...' Hij stak zijn brede, mannelijke, alhoewel onbehaarde pols van onder de luifel waar zij scholen. De regen plensde op het sieraad.
'Waarom doet ge dat?'
'Het is waterdicht.'
Zij haalde zijn hand van haar heup.
'Op het ogenblik dat het salvo weerklinkt zou dit horloge moeten stilstaan. De tijd. Zijn tijd is op. Maar de dingen zijn ontrouw.'
'Waarom zegt ge dat?' vroeg zij ineens fel.
'Wat?'
'Over die dingen die ontrouw zijn. Is het voor mij dat gij dat zegt?'
'Natuurlijk niet, Simone.'
'Hebt ge iets gehoord?'
'Waarover?'
'Over mij? Over mij en Jacques van de Sompel?'
'Nee.'
'Jawel. En ge durft het niet rechtaf in mijn gezicht zeggen!'
Van de Sompel was de enige zoon van een houthandelaar die vaak op de feestjes van mijnheer Groothuis kwam waar de vrouwen een bad namen in champagne. Het schoot Louis te binnen dat hij laatst Van de Sompel in de apothekerij gezien had.
In de schemer, met de regen in haar klissen, wenkbrauwen en wimpers zag Simone er kwetsbaar, aandoenlijk uit. Hij zou voor haar zorgen, haar beveiligen voor de aanvallen van Van de Sompel. Altijd en eeuwig en immer.
'Ik kan er niets aan doen. Ik zie u alle twee gaarne,' zei Simone. Hij wou haar natte haar met wortel en al uitrukken.
'Ik heb het met mijn moeder besproken, zij vindt het raar maar ook normaal.'
'Wat is het? Raar of normaal?' bracht hij met moeite uit.
'Ik zie u gaarne als iemand van mijn familie. Ik heb van kinds af aan een broer willen hebben, vraag het aan mijn moeder. En daarbij, gij zijt te jong.'
'En hij dan?' (Papa in het echtelijk bed, klaaglijk, Untermensch.)
'Hij is meer...'
'Maar wat dan?'
'Meer een man. Gij kunt er niks aan doen, Louis, maar ge weet niet wat een meisje gaarne heeft.'
'Maar ge wilt mij nooit vertellen wat ge gaarne hebt.'
'Dat moet een meisje niet vertellen. Dat moet een man aanvoelen.'
'Hoelang is dat al aan de gang?'
'Niet zo lang. Een maand of twee. Maar ik zie u ook gaarne.'
'Merci.'
Het beparelde gezicht dat hem ontsnapte, dat aan een ander en dan nog die kinkel van een Van de Sompel overgeleverd was, hij dronk het, nam het in zich op, het was het ergste en het mooiste dat hem kon overkomen. Rache, miauwde hij.
'Als Jacques aan mij komt, en hij legt zijn vingers hier...' de drel aaide over haar linkerborst, 'is het alsof ik wegdraai, alsof ik van mijzelf ga vallen. En bij u... Kijk...' Het ongelooflijke gebeurde, zij nam met haar natte vingers zijn hand en duwde die tegen de weke volle plek, hij voelde de bustehouder niet, en klappertandde. 'Ziet ge, het komt niet recht, mijn knopje, het wordt niet hard. Bij hem, direct op de seconde.' (Ik kan het chronometreren met de gijzelaar zijn klok!) Hij snokte zijn hand zo heftig weg, dat zij tegen de muur sloeg, de nagel van zijn wijsvinger scheurde.
'Gij zijt kwaad. Ik dacht wel dat ge het niet sportief zoudt opnemen.'
'Toch wel, toch wel.' (Hij stond in het doel, de bal daalde als een trage volmaakte meteoor, hij greep er naar, de bal stuiterde en wipte over zijn smekende handen.)
'Wij gingen wandelen langs de Leie en Jacques zegt: ''Waarom zouden we ons niet in het gras leggen?" Het was zo warm en wij legden ons in het gras. Hij zei: ''Ge hebt zo'n schone broche aan," en hij pakte de broche vast en dan streelde hij mijn hals en dan voelde ik dat hij het was voor de rest van mijn leven, altijd.'
'Geit!' Zij hoorde het niet of verstond: 'Tijd.'
De regen werd zwakker.
'Hij doet mij altijd lachen. Bij u moet ik nooit lachen.'
Maar dat was haar schuld. De melancholie die zij bij zich droeg, als een slechte adem, had hij overgenomen, uit liefde had hij zich ook, om op haar te lijken, gewenteld in een bad van verstilde treurnis zonder reden. Ik had nooit in haar mogen wegsmelten.
'Maar wat doet hij dan om u te doen lachen?'
'Hij doet onnozel.'
'En daarmee moet gij lachen?'
'Of hij vertelt moppen.'
'Welke moppen? Ik ken honderden moppen.'
'Ge hebt er mij nog nooit een verteld. Het is altijd over Socrates of over Guido Gezelle. Het is leerzaam maar niet wreed geestig.' Zij proestte het uit. 'Gisteren nog.'
'Heeft hij onnozel gedaan?' (Onder haar rokken geprutst, met klauwen, tot zij lachte.)
'Nee. Een goeie verteld.'
'Wat voor een?'
'Ik zeg: ''Jacques, het is toch wreed van die twee mannen van de ijzeren weg die neergeschoten zijn door die Duitse patrouille in Varsenare." "Kent ge die van de pastoor van Varsenare?" zegt hij. Ik zeg: ''Nee, Jacques." "Er was een boer in Varsenare," zegt hij, ''die al twaalf jaar getrouwd was, maar er kwam maar geen kind in die menage. Op een dag komt hij op 't onverwachts van zijn land naar zijn huis en wat ziet hij in de slaapkamer? Zijn vrouw met haar benen in de lucht, met tussen haar benen het hoofd van de pastoor van Varsenare. Hij liep direct naar buiten en op straat begon die boer te schruwelen. ''Mensen, mensen, komt zien, komt zien. Geen wonder dat ik geen kinderen heb, ik heb ze nog maar gemaakt of de Pastoor van Varsenare vreet ze op!"' Haar lach klaterde, mondde uit in gezucht. Uit de lippen die Louis gekust had, uit dat gezicht dat hij ongerept in een onbestemd verdriet gehuld gewaand had, kwam deze walgelijke praat, de viezigheid van een hoer van Babylon.
'Ge kunt er niet mee lachen, ik zie het al weer.'
'Weet uw vader hiervan?'
'Van Jacques? Ja. Hij mag thuis komen.'
'Nee. Van die vuile praat.'
'Oei oei oei, nee. Hij zou mij doodslaan. Hij peinst dat ik nog tien jaar oud ben.'
Louis keek naar zijn horloge, de secondewijzer stond stil, hij besefte dat hij tijdens haar verhaal ononderbroken aan het schroefje had gedraaid en geen weerstand had gevoeld, zozeer had hij in zijn schaamtelijke opwinding haar verraad, haar monsterlijk veile genot zonder hem, willen wegdraaien. Maar dan had hij nu zelf de tijd van de gijzelaar stopgezet! Mijnheer Tierenteyn riep 'Vive la Belgique!' en wipte op en stortte voorover terwijl de soldaten herlaadden, het ijzeren geritsel van de tijd.
==
In 'Groeninghe' raakten Papa en Louis eindelijk met ellebogen en knieen tot bij de toonbank waar Noel het te druk had om goedendag te zeggen. Bij de deur van de wc verborg De Puydt zich achter een vetplant of rook eraan. Toen de drukte wat luwde zei Noel: 'Ge zoudt peinzen als ge in zo'n toestand verkeert zoals hij, dat ge niet onder de mensen moet komen, dat ge u beter opsluit in uw kot en rouwt voor de tijd die nodig is, maar aan de andere kant...'
Papa bleef met zijn rug naar de verzopen rouwende De Puydt staan.
'Ik krijg er geen woord uit,' zei Noel. 'De hele tijd moet ik aan de clienten uitleggen dat hij niet onbeleefd wil zijn, maar dat hij niet wil antwoorden als men hem iets vraagt.'
'Zegt hij absoluut niks?'
'Nee, hij kijkt naar u, dwars door u.'
'Hoe bestelt hij dan zijn whisky?'
'Hij steekt zijn glas in de lucht.'
De Puydt was verschrompeld, zijn vroeger vrouwelijk wolkend haar plakte plat tegen zijn schedel. Hij roerde met een vinger in een asbak waarop Peter Benoit afgebeeld stond.